Biologie M t/m Z - Van Veldhuijzen-Boxmeer
15829
page-template-default,page,page-id-15829,page-child,parent-pageid-15082,qode-quick-links-1.0,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-theme-ver-11.2,qode-theme-bridge,wpb-js-composer js-comp-ver-5.2.1,vc_responsive

Biologie M t/m Z

Onderwerp: Meelmijt (Acarus siro L.) 

 

Familie:          Acaridae
Orde:              Astigmata

 

Algemeen:
De mijten die behoren tot de familie Acaridae komen voor in allerlei producten van plantaardige en soms dierlijke herkomst; in vochtige woningen bovendien algemeen op muren en in meubilair waarin natuurlijke vulmaterialen zijn gebruikt.

 

Uiterlijk:
Lichaam kleurloos, poten variërend van lichtgeel tot roodbruin, twee paar haren steken uit de achterzijde van het lichaam.

 

Ontwikkeling:
Totale ontwikkelingsduur van ei tot imago: bij 18 – 22 °C: 17 dagen; bij 10 – 15 °C: 28 dagen; bij 5°C: 140 dagen.

 

Leefwijze:
Deze mijtensoort leven bij voorkeur bij een hoge relatieve luchtvochtigheid, zelfs tot 100% en een temperatuur van ca. 25°C.
Voedsel: de mijten behoren tot de familie der Acaridae treft men aan in allerlei producten van plantaardige en soms dierlijke herkomst.

 

Schade/hinder:
De aanwezigheid van mijten vermindert de kwaliteit c.q. waarde van de producten (ook smaak wordt aangetast).
In woningen kunnen de mijten tot allergische klachten leiden.

 

Verspreiding:
Deze mijten komen in geheel Europa voor.

 

Wering:
De producten die in minder goede staat verkeren vernietigen. Opslagruimte goed schoon en vooral droog maken.
Nieuwe voorraadjes in goed afsluitbare flessen, bussen of trommels bewaren.
Voorraden niet te lang bewaren en vooral koel en droog opslaan.

Onderwerp: :     Meelmot (Plodia interpuctella).

 

De meelmot
De meelmot en de Indische meelmot  komen overal in Nederland voor en zijn verantwoordelijk voor economische schade en onhygiënische omstandigheden.

 

Hoe herkent u de meelmot?
De meelmot (Ephestia kühniella Zeller) heeft grijze voorvleugels en de achtervleugels zijn geelwit. Haar spanwijdte bedraagt 20 tot 28 mm. De larven maken spinsels. De rupsen zijn bleekgeel of roze met een zwartbruine kop. De rupsen verpoppen in een grijze cocon.

 

Hoe herkent u de Indische meelmot?
De Indische meelmot (Plodia interpuctella) heeft roodbruine vleugels met een blauwe tekening en in het midden een brede gele dwarsband. Haar spanwijdte bedraagt 13 tot 20mm.

 

Hoe leeft de meelmot en de Indische meelmot?
Het volwassen vrouwtje legt zo’n 400 eitjes in voedsel in ongeveer 18 dagen tijd. Er zijn jaarlijks drie tot zes generaties, afhankelijk van de voedselvoorraad en temperatuur. De larven voeden zich met allerlei granen, zaden, poedermelk, deegwaren, hondenvoer, crackers, snoep en gedroogd fruit. Ze vervuilen het voedsel met hun uitwerpselen en maken er kluiten in doordat ze er zijden draden door spinnen. Ze houden van duisternis en komen overal ter wereld voor.
Ontwikkeling in 35 dagen bij 25°C. Veel langer bij lagere temperaturen of wanneer ze zich voeden met producten met een lage voedingswaarde.
Eet vooral noten, gedroogd fruit en graangewassen (maïs).

 

Kenmerken
Vleugels roodbruin en blauwig getekend en in het midden een brede, gele dwarsband. Familie Pyralidae.
Voorkomen
Kosmopoliet, in opslagruimten, pakken meel, ook in het vrije veld.
Levenswijze
De soort behoort voor de mens tot één van de schadelijkste voorraadsinsecten ter wereld. De rups leeft in droge graanproducten (meel), gedroogde vruchten en in allerlei zoetwaren. Voedseldelen worden samengesponnen.

 

Hoe komt u van de meelmot of Indische meelmot af?
Om een plaag te voorkomen kunt u zelf veel doen. Een niet toegankelijke voedselopslag en een regelmatige inspectie van opgeslagen voedingsproducten en controle van nieuwe producten is aan te bevelen. Deze controle in combinatie met het wegdoen van geïnfecteerd voedsel en een schoon huishouden maakt de kans op een plaag kleiner.

Onderwerp: Meelworm (Tenebrio molitor L.)

 

Algemeen:
Is de meest bekende soort van de familie der Tenebrionidae, doordat de larven als vogelvoer voor sommige soorten kooivogels, terrariumdieren en als visvoer worden gebruikt (meelwormen).

 

Uiterlijk:
Kever is 13-18 mm lang; kan goed vliegen.
Kleur zwart tot zwartbruin; aan onderzijde wat roodbruin gekleurd; dekschilden gestreept.
Eitjes zijn grijswit van kleur.
De larven zijn rolrond en geelbruin van kleur en kunnen tot 28 mm groot worden.
De larven hebben 3 paar goed ontwikkelde poten.
Larve tot ongeveer 10 mm lang, gebroken wit van kleur.

 

Ontwikkeling:
De vrouwelijke kever legt totaal + 400 eitjes.
Hieruit komen na + 12 dagen de larven.
Het larve stadium duurt 1 – 1,5 jaar
Verpopping duurt + 14 dagen.

 

Leefwijze:

algemeen:
door de lange levenscyclus is het insect vrij gemakkelijk te bestrijden. Als schadelijke dieren spelen zijn vandaag de dag bijna geen rol meer. Alleen slechte controleerde, langdurig opgeslagen voorraden kunnen zij verontreinigen en door   vraat beschadigen.
-voedsel:  van plantaardige, eventueel ook dierlijke oorsprong, bijv. brood, vaste meelspijzen, lompen etc.
-temperatuur: deze soort kan zich in ons gematigde klimaat goed handhaven.
-schuilplaatsen: zoekt graag donkere plaatsen op. Naast het aanwezig zijn in voedselopslag komt de meeltor ook veelvuldig voor in vogelnesten,
aangezien de larven graag gewild vogelvoedsel vormen Zij worden door de vogels meegenomen en verstoppen zich dan in het nest.
Vandaar kunnen zij eventueel gemakkelijk via het dak in huis komen.

 

Schade:
Kunnen schade veroorzaken in langdurig opgeslagen voorraden; in woningen kunnen ze nauwelijks schade veroorzaken.

 

Wering:
Een goed hygiënische bedrijfsvoering is noodzakelijk. Oude voorraadjes en verlaten vogelnesten dienen te worden verwijderd.

Onderwerp:  Messingkever (Niptus hololeucus Fald.). 

 

Algemeen:
De messingkevers komen oorspronkelijk van de kusten van de zwarte zee. Het optreden van deze beestjes is meestal te wijten aan de aanwezigheid van zetmeel bevattende afvalstoffen, zoals: hooi, stro, kaf, zemelen en meel. Deze stoffen zitten in verborgen en ontoegankelijke hoeken.

 

Uiterlijk:
imago:
Ze zijn 3 tot 4,5 mm. lang. Ze hebben verder een goudgele kleur met lange zijdeachtige haren aan de dekschilden. De kop zit verborgen onder het rondachtige borststuk en de abdomen zijn ovaal.

 

Larve:
Deze zijn ongeveer 6 tot 7 mm. lang. Ze zijn witachtig van kleur met een geelbruine kop.

 

Ontwikkeling:
Deze kevers ondergaan een volledige gedaanteverwisseling.
Het vrouwtje legt 25 tot 30 eieren gedurende 3 tot 5 weken. Deze komen weer uit in een periode  van 5 tot 20 dagen. Als de larve eenmaal uit het ei is gekomen dan vervellen zij 3 tot 5 keer. Die gehele periode zal 150 dagen in beslag nemen.
Zijn ze een aantal keer verveld dan gaan ze beginnen om zich te verpoppen. Dit duurt ongeveer 18 tot 26 dagen. Daarna hebben ze hun volwassen stadium bereikt en leven nog 4 tot 10 maanden, dit ligt aan de omstandigheden uit de omgeving.
De minimumperiode van ei naar imago is 120 dagen, maar de temperatuur moet dan constant blijven op 20 graden Celsius.

 

Leefwijze:
Normaal gezien komen er twee generaties per jaar voor. De kevers zijn meestal in juni of juli te zien en dan pas weer in november of december. Ze kunnen echter niet vliegen. De pas uit de pop gekomen kevers zijn nog niet meteen geslachtsrijp. Dit worden ze wel naar mate ze steeds meer eiwitrijk voedsel eten. Doen ze dat dan kunnen ze zich pas gaan voortplanten.

 

Voedsel:
imago:
Zij maken gaten in textiel, kleding, vloerbedekking, leer en papier en eten dat op. Natuurlijk eten ze ook nog eiwitrijk voedsel anders kunnen ze zich niet gaan voortplanten.

 

Larve:
Plantaardig en dierlijk materiaal, zoals textiel, granen, gedroogde vruchten, leer staat op het menu van deze larven.
Messingkevers kunnen zich zelfs actief bewegen bij een temperatuur van 5,5 graden Celsius. Het is echter wel zo dat ze graag in een vochtige omgeving leven, bij voorkeur op donkere moeilijk bereikbare plekken.

 

Schade/overlast:
Zowel door de larve als door het imago wordt er aan textiel, kleding, graanproducten en leer gevreten.

 

Nut:
Ze eten dode insecten en muizen.

 

Wering:
Het is verstandig plantaardige en dierlijke producten op goed afgesloten plaatsen te bewaren.
Men kan de messingkevers ook vangen door op verschillende plaatsen vochtige lapjes neer te leggen. De kevers hebben veel behoefte aan vocht en daarom komen ze erop af en kun je ze op die manier vangen.
Door vogelnesten te verwijderen voorkom je ook al vele problemen.

 

Bestrijding:
Alle haarden moeten opgespoord worden en daarna opgeruimd worden. Een eventuele bestrijding kan worden uitgevoerd met een insecticide op basis van deltamethrin of permethrin. Alle plaatsen waar larven of kevers waargenomen worden dienen behandelt te worden. Vooral in de naden en kieren.

Onderwerp:  Mestkever   

 

Pillendraaier pakt mestprobleem aan.
De Egyptenaren beschouwden hem als een heilig dier, maar voor de mestkever is het leven volkomen shit:
hij loopt er de hele dag mee te slepen,
hij eet het, hij wordt er zelfs in geboren.
En daar zijn bijvoorbeeld Australische koeien heel blij mee.

 

Hoe zou de aarde eruit zien als er geen mestkevers waren? Ongetwijfeld een stuk smeriger dan nu al het geval is. In Australië kan men erover mee praten. Niet dat in dat werelddeel mestkevers ontbreken. Die zijn er wel degelijk. Maar de soorten die er van oorsprong thuishoren, zijn nogal kieskeurig. Ze houden voornamelijk van kangoeroe keutels. Geen wonder, want veel anders hebben ze tot het begin in 1788 niet gekend. In dat jaar vestigden zich de eerste Britse kolonisten in Australië. Ze hadden vijf koeien, twee stieren, vierenveertig schapen en zeven paarden bij zich. Op een oppervlakte van 7,7, miljoen vierkante kilometer betekenden die paar dieren niks. De mest die ze produceerden, zette bij wijze van spreken geen zoden aan de dijk. Maar na twee eeuwen is die toestand wel even veranderd. Er grazen in dit werelddeel nu alleen al zo’n dikke dertig miljoen runderen. En daarmee is er een enorm mestprobleem ontstaan. Niet vanwege de ammoniakuitstoot, maar doordat de boel gewoon blijft liggen. Geen van de 250 inheemse mestkeversoorten toonde veel trek in koeienflatsen. Gevolg was dat de vlaaien uitdroogden tot harde korsten die maanden en soms jarenlang de bodem ontsierden. Dat was niet goed voor de weidegronden. Een volwassen rund produceert dagelijks gemiddeld twaalf vlaaien. In een jaar tijd zijn dat zoveel plakken, dat ze naast elkaar gelegd een oppervlakte van vierhonderd vierkante meter beslaan. En dat is nog maar de prestatie van een enkel rund. De situatie wordt nog verergerd doordat rondom een koeienflats gras gaat groeien dat de beesten niet lusten. Ze grazen er in een wijde boog omheen. Op die manier zou jaarlijks zo’n kleine 2,5 miljoen hectare weidegrond onbruikbaar worden, als inderdaad alle mest bleef liggen. Gelukkig gebeurt dat niet. Veel wordt door de regen weggespoeld, door het vee vertrapt en verspreid zodat het spul in de bodem wordt opgenomen, of door termieten opgeruimd. Maar de toestand was in de jaren zestig toch wel zo zorgelijk geworden, dat men het noodzakelijk vond een aantal Afrikaanse mestkeversoorten in te voeren. En die beesten doen het uitstekend.

 

Mestkevers zijn interessante insecten. Ze behoren tot de bijzonder uitgebreide familie van de Scarabaeidae die meer dan twintig duizend soorten telt. Maar die zijn niet allemaal liefhebbers van mest. Verre vandaar. Rozekevertjes, goudtorren en spectaculaire reuzen als goliath- en herculeskever, die ook tot de familie behoren, zijn planteneters. Maar de echte mestopruimers maken toch een behoorlijk deel van de Scarabaeidae uit. Alleen al in Afrika lopen er meer dan tweeduizend soorten van rond. In alle werelddelen, uitgezonderd Antarctica, worden echte mestkevers aangetroffen. De meest bekendste mestkever is de pillendraaier, Scarabaeus sacer. Het eerste deel van zijn naam komt van het Griekse skarabos en betekent simpel ‘kever’, het tweede deel is het Latijnse woord voor ‘heilig’. Zijn heiligheid dankt de pillendraaier aan het feit dat de oude Egyptenaren hem zagen als de verpersoonlijking van de zonnegod Ra. Overal in Egypte treft men zijn afbeelding aan: op de muren van tempels en graven, tussen de windsels van mummies, tot zelfs in opschriften en teksten, waar zijn portret stond voor het hpr (worden, ontstaan). De pillendraaier vormt vuistgrote mestballen die hij, achteruitlopend, met zijn stevige achterpoten naar een veilige plek rolt. Daar graaft hij een gat waarin hij zich samen met zijn buit onderspit. Waarna hij zich ongestoord aan een zwelgpartij van formaat overgeeft. In de paartijd echter dienen de pillen als voedsel vooraan voor de larven. Mannetje en vrouwtje werken dan eendrachtig samen aan de mestbal. Nadat deze begraven is, bouwt het vrouwtje er een holle broedkamer aan, zodat het geheel een peervorm krijgt. Wanneer een ei is gelegd, wordt de toegangstunnel naar de onderaardse kamer losjes dichtgestopt, zodat de jonge mestkever, nadat hij alle groeifasen via larve en pop heeft doorstaan, gemakkelijk de weg naar buiten kan vinden. Van de mestbal blijft slechts het harde korstje in de aarde achter.

In het voortrollen van de mestbal zagen de Egyptenaren een overeenkomst met de gang van de zon langs de hemel. De uitsteeksels op de kop van de kever symboliseerde de zonnestralen. De pillendraaier werd geacht zijn mestbal 29 dagen voort te blijven rollen. De dertigste dag bracht hij zijn last naar de Nijl. En daar kwam dan een nieuwe kever glorieus uit de mest te voorschijn. Zeer aardse zaken zoals bevruchting, het leggen van eieren en de moeizame gang van larve tot volwassen dier kwamen aan het ontstaan van nieuwe mestkevers niet te pas. De heiligheid van de pillendraaier werd nog eens onderstreept doordat het dier, meende men, in het bezit is van dertig voetleden (vijf aan elk van de zes voeten) die de dagen van de maand voorstelden. De Egyptenaren waren echter nogal slordig als het ging om natuurwaarnemingen. Scarabaeus sacer heeft geen dertig voetleden. Aan de voorpoten bestaan de voeten uit een stuk. Je zou dus hooguit van 22 leden (4×5+2) kunnen spreken. Niet alle mestkevers doen zoveel moeite als de pillendraaier. Sommige maken in het geheel geen keurig afgeronde bolletjes. Ze stoppen wat losjes bij elkaar geaarde mest onder de grond. Andere soorten besparen zich een hoop werk door hun broedkamers direct onder of aan de rand van een hoop stront te maken. Dat doen ook in ons land voorkomende, blauwzwarte mestkevers, die je vaak onbeholpen over de karrensporen van zandwegen ziet rondscharrelen. Alleen mest van planteneters wordt gebruikt. Begrijpelijk. Plantenvezels verteren slecht. Zelfs na de reis door het extra lange darmstelsel waarover alle herbivoren beschikken, blijft er nog voldoende voedsel in de restanten zitten om allerlei mesteters aan hun trekken te laten komen. Behalve gemakzuchtige zijn er ook zeer ijverige mestkevers, ijveriger nog dan de pillendraaier. De in Europa voorkomende mestkever maakt een onderaards hol waarin hij samen met het vrouwtje een aantal eivormige mestballen bergt. Nadat het vrouwtje in elke bal een ei heeft gelegd, blijft zij beneden, terwijl het mannetje bovengronds de wacht houdt. Het vrouwtje heeft het druk met verwijderen van schimmels en het dichten van krimpscheurtjes. Zodra de jonge kevers uit hun mestbedden te voorschijn zijn gekomen, brengt het vrouwtje ze naar de oppervlakte. En daar gaat ieder zijns weegs. De hoeveelheden mest die de kevers verwerken, zijn gigantisch. De Franse insectkundige Jean-Henri Fabre nam waar dat een mestkever in een nacht bijna 1 liter mest de grond in groef.Een hele prestatie. Het diertje had een inhoud van vier kubieke centimeter. In nog geen tien uur tijd zag het dus kans 250 keer zijn eigen lichaamsomvang onder te spitten. Hoe nuttig mestkevers voor de veeteelt zijn, is al gebleken. Maar ze doen nog ander goed werk. In Australië heerste tot voor kort een strontvliegen plaag. Enorme hordes van die beesten maakten het leven buitenshuis in bepaalde seizoenen tot een hel. Na de invoering van mestkevers werd de plaag tot draaglijke omvang teruggebracht en in sommige streken verdwenen de vliegen zelfs geheel. De bioloog D.F. Waterhouse deed in de jaren zeventig proeven Onthophagus gazella, een in Australië ingevoerde Afrikaanse mestkeversoort. De dieren hadden slechts korte tijd nodig om een koeienvlaai de grond in te werken. Maar belangrijker was dat van het grote aantal vliegeneieren dat de mest bevatte, slechts enkele uitkwamen. De rest had de bewerking door de kevers niet overleefd. Opmerkelijk is dat voor de voortplanting bestemde mestballen totaal geen vliegenlarven of eieren bevatten. Die worden zorgvuldig door de kevers verwijderd. Het is een bekend feit dat ziektes door vliegen kunnen worden overgebracht. Vliegenbestrijding is voor de volksgezondheid dus van de belang. Maar ook de verwijdering van mest is in dit opzicht belangrijk. Allerlei ziekteverwekkende organismen gedijen goed op mest. Mest van zieke dieren vormt een haard van infectie. Zonder mestkevers zou de wereld niet alleen een smerigere, maar vooral ook een ongezondere plaats zijn om te wonen. Mest oefent, hoe kan het anders, een enorme aantrekkingskracht op mestkevers uit. In Afrika heeft men waargenomen dat een buffel zijn staart maar hoeft om op te tillen om de insecten te doen aanstormen. Waarschijnlijk worden de kevers gewaarschuwd doordat er op het moment voorafgaand aan de ontlasting een wolk gas ontsnapt. Olifantenmest heeft men zevenduizend van die dieren geteld. Maar daar is dan ook een massa werk te verzetten.

Toen men in Australië mestkevers ging invoeren, was men als de dood dat tevens allerlei veeziektes hun intrede zouden doen. Door allerlei ingenieuze ingrepen wist men een aantal absoluut schone dieren te kweken, die geschikt bleken om er verder mee te fokken. Met een ding had men echter geen rekening gehouden. Met de ziektekiemen waren ook de mijten verdwenen waarmee mestkevers gewoonlijk bezet zijn. En dat was, zo bleek, een verlies. Veel mijten beschouwen hun gastheer- of vrouw slechts als vervoermiddel. Zodra een kever bij een hoop mest aankomt, gaan de mijten, gaan de mijten ervandoor en storten zich op de vliegenmaden die zich in de stront ophouden. Voor een nog effectievere vliegenbestrijding zou het dus goed zijn ook de mijten in te voeren. Mijten doen, voor zover we weten, mestkevers geen kwaad. Een heel andere zaak is het met Buffo marinus, een reuzenpad die in de jaren dertig in Australië werd ingevoerd om schadelijke kevers die de suikerrietoogst vernielden, op te ruimen. Een volstrekt maatregel, omdat de pad aller interessante, onschuldige en nuttige insecten verdelgt, terwijl de schade aan het suikerriet niet merkbaar vermindert. De reuzenpad heeft sinds 1963 zijn werkterrein een stukje verruimd. De pas ingevoerde mestkevers bleken een smakelijke hapje te zijn. Vandaar dat hele troepen padden in de avondschemering de wacht betrekken bij verse hopen stront. De Australiërs zinnen nu op tegenmaatregelen. Een mogelijkheid is mestkevers in te voeren die overdag actief zijn. Doordat reuzenpadden nachtdieren zijn, bestaat er weinig kans dat jager en prooi elkaar dan nog ooit zullen tegenkomen. Een andere mogelijkheid is de reuzenpad met gelijke munt te betalen en een reuzenmestkever te introduceren. Kever die behoren tot het geslacht Heliocopris zijn zwaar gepantserd en hebben ongeveer de omvang van een golfbal. Ze zijn zo sterk dat je ze niet in de hand kunt houden. Padden hebben de gewoonte hun prooi levend in te slikken. En nu hoopt men dat Heliocopris zich met zijn krachtige poten weer een weg naar buiten zal weten te wroeten, dwars door de ingewanden en het vel van de pad heen. Iets dergelijks heeft men al eens waargenomen. Alleen betrof het toen een andere padden- en keversoort. Het zou mooi zijn als Heliocopris inderdaad aan de verwachtingen voldoet. Men zou dan wel geen twee  vliegen in een klap slaan, maar toch zowel iets aan het mestprobleem als een de paddenplaag doen. En dan zou Scarabaeus sacer, de heilige pillendraaier, misschien niet meer de enige kever zijn waarvoor standbeelden werden opgericht.

Onderwerp: Rode bosmier/Grauwzwarte mier/Rode roofmier ( Formica
                    polyctena Förster en Formica rufa L./ Formica fusca L./
                    Formica sanguineaLatr.).                      

 

Algemeen:
De rode bosmieren zijn over het algemeen te vinden in naald- en loofbossen. Ze maken koepelnesten van takjes en naalden. de diepte van zo’n nest is ongeveer 30 cm.
De rode roofmier komt voor op heidegronden en langs wegranden. Ze maken hun nesten bij voorkeur in boomstronken.
De grauwzwarte mier is algemeen te vinden op zandgrond, vooral onder stenen. De nesten die ze maken zijn aan de oppervlakte niet zichtbaar.

 

Uiterlijk:
Werksters van de rode bosmier en grauwzwarte mier onderscheiden zich uitsluitend van elkaar door beharing onderaan de kop. de kop en de thorax van de werksters is rood tot roodbruin en zwart gevlekt. het achterlijf is zwartbruin met rood.
De grauwzwarte mier is een grijszwarte mier. Soms is er een bronsglansachtige kleur te zien.
De rode roofmier heeft een rode tot roodbruine kop en thorax. De kop is vaak iets berookt. het achterlijf is zwart met een dichte beharing.
Bij alle soorten kan overigens de grote sterk variëren.

 

Leefwijze:
De kolonie van de rode bosmier heeft meerdere koninginnen, kan ook uit meerdere nesten bestaan. Als de temperatuur stijgt dan worden de activiteiten binnen en buiten het nest ook groter.De kolonie van de grauwzwarte mier heeft geen vast wegennet, de werkster gaan geheel individueel op pad. dit vind je niet bij de rode bosmier

 

Voedsel:
Deze mieren eten vooral eiwitten, koolhydraten. Andere insecten die vaak schadelijk zijn worden gedood. De zoetige afscheiding van de bladluis wordt overigens ook gegeten.
Bij de rode bosmier wordt er in het voorjaar, als de temperatuur nog te laag is gebruik gemaakt van de bij de werksters in de winter sterk gezwollen klier. daar halen de ze afscheiding uit en eten die op.

 

Schade/overlast:
Ze bouwen soms nesten onder woningen of in de spouwmuur. Als dit gebeurt dan kunnen de mieren in het najaar en vroeg in het voorjaar zeer hinderlijk in huis optreden.

 

Nut:
Ze ruimen schadelijke insecten op. In Duitsland zijn kolonies uitgezet in bossen om blad of naaldvretende insecten te verdelgen.

 

Verspreiding:
Na de bruidsvlucht worden er nieuwe kolonies gesticht.

Onderwerp: Mijten in voorraden van o.a. levensmiddelen (Familie Acaridae)   

 

Algemeen:
Op allerlei producten van plantaardige en dierlijke herkomst kan men soms mijten aantreffen.Meestal betreft het dan voorraadjes levensmiddelen, die enige tijd zijn blijven liggen.Als deze producten tijdens de bewaring enigszins vochtig zijn geworden, ontwikkelen zich daarop soms grote aantallen mijten.
Soorten die op deze manier in huis wel eens voorkomen zijn o.a. de meelmijt Acarus siro L.,deschimmelmijtesoorten Tyrophagus longior Gervais en Tyrophagus putrescentiae Schrank.

 

Uiterlijk:
Deze mijten zijn in het volwassen stadium ongeveer 0,5 mm lang. De vrouwtjes zijn altijd iets groter dan de mannetjes. Met het blote oog gezien lijken het wel “levende” bleke stofdeeltjes, maar onder de microscoop ziet men dat het spinachtige zijn.
Wanneer men een voorraadje meel heeft en vermoedt dat daarin mijten zitten, kan men een klein beetje bij elkaar vegen en gladstrijken. Als het oppervlak na verloop van tijd weer “ruw” wordt, dan is dat een aanwijzing voor de aanwezigheid van mijten.
Volwassen mijten hebben vier paar poten, die evenals de monddelen iets donkerder van kleur zijn dan de rest van het lichaam. Op het lichaam zitten lange haren, die aan de achterzijde een eind uitsteken.

 

Ontwikkeling en leefwijze:
Wanneer de omstandigheden voor deze mijten gunstig zijn, kunnen zij zich massaal ontwikkelen. Onder gunstige omstandigheden wordt hier verstaan een temperatuur van 25 – 30 graden Celsius en een relatieve luchtvochtigheid van minstens 70%. De ontwikkelingsduur bij 23 graden Celsius en 85% relatieve luchtvochtigheid is 2 à 3 weken.
Hoe lager de temperatuur hoe trager de ontwikkeling zal verlopen. Bij een luchtvochtigheid van 60% of minder staat de ontwikkeling stil. De mijten voeden zich voornamelijk met de schimmels, die zich op de levensmiddelen ontwikkelen.Van Tyrophagus putrescentiae is bekend, dat ze zich bij voorkeur ontwikkelt in voedingsmiddelen met een hoog gehalte aan vetten en eiwitten.Voedingsmiddelen, waarin zich mijten hebben ontwikkeld, krijgen een karakteristieke muffe geur en een smaak, die deze levensmiddelen voor menselijk consumptie minder geschikt maken.

 

Wering en bestrijding:
Allereerst dient men na het constateren van mijten alle voorraden levensmiddelen nauwkeurig te controleren en producten die in minder goede staat verkeren te vernietigen. De opslagruimten (kast, kelder) dient men goed schoon te maken en vooral goed te drogen.Oude voorraden altijd eerst gebruiken. Nieuwe voorraden kan men het beste in goed gesloten bussen of trommels bewaren. Een kort durende, koele en droge opslag is belangrijk. Mijten kunnen soms ook voorkomen in enigszins vochtige vloerbedekking van plantaardige herkomst (biezen matten e.d.). Ter vermindering van de overlast dient u de vertrekken zo goed mogelijk te drogen door te stoken en/of te ventileren, liefst bij zonnig weer. Het gebruik van bestrijdingsmiddelen zal geen blijvende oplossing bieden.

  

Onderwerp: Miljoenpoten en duizendpoten(Diplopoda en Chilopoda).       

 

De miljoenpoten en duizendpoten behoren tot verschillende families. Ze behoren tot verschillende orden der klasse Diplopoda en der klasse Chilopoda.

 

Algemeen:
De klasse der miljoenpoten (Diplopoda of Millipedes) bestaat uit een tiental orden, waarvan enige vertegenwoordigers in ons land voorkomen. Alle soorten leven in de vrije natuur. Slecht één soort wordt af en toe in rieten daken aangetroffen, te weten Polyxenus lagurus L.
De klasse der duizendpoten (Chilopoda of Centipedes) bestaat uit een viertal orden, waarvan eveneens enige vertegenwoordigers in ons land voorkomen. De af en toe in gebouwen aangetroffen soorten behoren tot de familie der Geophilidae.

 

Uiterlijk:
Het zijn wormachtige dieren met een groot aantal poten. De miljoenpoten bezitten per segment 2 paar poten en de antennen zijn klein. De duizendpoten bezitten per segment 1 paar poten en de antennen zijn aanzienlijk groter dan die bij de miljoenpoten.

 

Leefwijze:
Beide groepen leven onder vochtige omstandigheden onder bladeren, onder stenen, in rottend hout of in de bodem. Miljoenpoten voeden zich met rottend organisch materiaal, zelden voeden ze zich met insecten e.d.. Duizendpoten zijn zeer actieve jagers op insecten, spinnen, e.d..
Ze hebben van gifklieren voorziene klauwtjes.

 

Schade/hinder:
Sommige soorten van de klasse der miljoenpoten veroorzaken schade aan planten b.v. in kassen.
Enkele tropische soorten der duizendpoten kunnen de mens een pijnlijke beet bezorgen.

 

Wering:
– Opruimen van hopen organisch materiaal in en om de woning.
– Zo nodig relatieve vochtigheid in de woning omlaag brengen door stoken en ventileren.
– In het geval van rieten daken dient het dakbeschot grondig te worden gedicht.

Onderwerp: Mollen (Talpidea).   

 

Uiterlijk
De mol heeft een zachte pels die bestaat uit een dichte zwarte vacht, die op zijn buik grijs is. Van vocht of kou heeft de mol geen last, daar zorgt zijn (water- en zand)dichte vacht wel voor. Twee minuscuul kleine ogen, zo groot als een flinke speldenknop, heeft de mol wel, maar geen oren. ‘Horen’ doet-ie met zijn tast-en snorharen, die ingeplant staan boven de spitse snuit. Alleen de vier poten zijn aan de onderkant onbehaard. Het meest opmerkelijke zijn de voorpoten die krachtige graafwerktuigen vormen; de naar buiten gedraaide hand is verbreed met een extra vinger. De nek is schijnbaar verdwenen maar de kop kan wel degelijk onafhankelijk bewegen. Achter de schouders is het lichaam vrijwel cilindrisch, de lichaamslengte varieert tussen 125 en 165 mm inclusief zijn 2,5 centimeter lange staart. Mannetjes wegen ongeveer 120 gram en vrouwtjes 90 gram.

 

Zintuigen
Mollen hebben een goed ontwikkelde tastzin en een orgaan om veranderingen in temperatuur en vocht waar te nemen, de reuk en gehoor zijn matig en het zicht is slecht.

 

Voortplanting
De mannetjes verlaten vroeg in het voorjaar hun territorium op zoek naar eenvrouwtje, daarbij schuwen ze geen water want mollen kunnen zwemmen. De paring vindt plaats in maart-april. Meestal wordt het mannetje daarna weer verjaagd door het vrouwtje. Na een dracht van 4 -5 weken worden 2 -7 jongen blind en naakt geboren (meestal 4-5). De jongen wegen 3,5 gram en hebben een lengte van 35 mm. In 3 weken zijn ze tot bijna volwassen lengte gegroeid en is de vacht ontwikkeld. De jongen worden 4 -5 weken gezoogd en blijven daarna nog 2 -3 weken bij elkaar in het gangenstelsel van de moeder. Eind juni worden de jongen gedwongen op zoek te gaan naar een eigen territorium, er vallen echter veel slachtoffers door toedoen van roofvogels, katten, reigers en het verkeer. Een mol wordt gemiddeld drie jaar oud.

 

Territoria en gangenstelsels
In een gebied waar mollen zich ongestoord kunnen ontwikkelen, hebben de mollen elk een afzonderlijk deel van een groter gangenstelsel. Buiten de periode dat er jongen zijn leven ze hier alleen. Er is een stelsel van oppervlakkige gangen, ook wel jaaggangen of ritten genoemd en een stelselvan diepere gangen. Bij de oppervlakkige gangen wordt de grond meestal wat omhoog gedrukt, bij de diepere gangen wordt de grond naar boven gewerkt en ontstaan hopen. De doorsnede van een gang is 4 -5 cm. Het graven gebeurt met de voorpoten, waarbij de handen om beurten worden gebruikt.De oppervlakte van een territorium is ca. 400 m². De verblijfsgangen en holtes waar voedselvoorraden worden aangelegd, waar wordt geslapen en waar het nest wordt gemaakt beslaan een lengte van om en nabij honderdvijftig meter. Een mol kan zich met zo’n 7 km. per uur ondergronds voortbewegen, zowel vooruit als achteruit. Bovengronds is dit ca. 5 km. per uur. Per uur kan een mol een gang graven van 12 tot 15 meter lengte. Ondergronds heeft de mol maar één vijand en dat zijn zijn soortgenoten. Het eigen territorium wordt fel verdedigd tegen andere voedselzoekende mollen. Iedere dag worden de gangen ongeveer 3 keer geïnspecteerd op aanwezig voedsel en op indringers. Als er een territorium vrijkomt, wordt het snel ingepikt door de buren. Het territorium zit voor een belangrijk deel in, onder en bij perceelscheidingen, zoals afrasteringen, heggen, slootkanten en bermen.

 

Natuurlijke vijanden
De mol houdt niet van extreme droogte en van wateroverlast. Andere natuurlijke vijanden van de mol zijn roofvogels zoals de reiger, valk, uil en buizerd en roofdieren, zoals de vos, bunzing, katten en de wezel.

 

Voedsel
Wormen vormen het hoofdvoedsel van de mol (90%), maar ook insectenlarven en- poppen, slakken en soms een jonge muis of kikker. Dagelijks wordt de helft van het gewicht aan voedsel verorberd, dit zijn ongeveer 100 wormen. Bij voldoende wormen is de waterbehoefte minder en worden ook voorraden aangelegd. Om te zorgen dat de wormen niet weg kruipen wordt van een worm de kop afgebeten.

 

Activiteit
De mol is niet 24 uur per dag actief, meestal zijn er 3 activiteitsperioden van ongeveer 4 uur, dit is afhankelijk van de hoeveelheid voedsel wat de mol tegenkomt. Tussen november en februari valt er 1 activiteitsperiode samen met het daglicht en is er een korte periode ‘s nachts. In de periode mei-augustus is de rustperiode overdag wat meer variabel en is er door de daglengte geen activiteit midden in de nacht. Als de grond droger wordt gaan de wormen dieper de grond in, dus zal de mol ook dieper moeten graven om aan voedsel te komen.

 

Bestrijden van mollen
Het bestrijden van mollen kan chemisch gebeuren met een speciaal doseerapparaat waarbij men ronde pillen op basis van magnesium- of aluminiumfosfide in de diepere mollengangen kan leggen, door invloed van bodemvocht ontstaat het voor mollen dodelijke fosforwaterstofgas (PH3) dat door de gangen drijft. Dit gas heeft de reuk van knoflook en is dodelijk voor de mol maar ook voor andere levende wezens. Daarom wordt voor deze methode bepaalde eisen gesteld aan de deskundigheid van de gebruiker en moet je cursus gevolgd hebben.
Men kan ook een mol uit de gang scheppen als men de mol ziet wroeten, de meeste kans heb je om ongeveer 8, 12 en 18 uur, en als je tegen de wind in gaat wachten, je moet wel geduld hebben. Een goede aanwijzing is ook het gedrag van merels en lijsters, wanneer je ziet dat ze op 1 plaats bezig zijn en veel wormen pakken dan weet je dat de mol daar actief is want door het lopen van de mol vluchten de wormen naar de oppervlakt
De meest toegepaste methode is het vangen met een mollenklem.

 

Het plaatsen van een mollenklem
Er zijn vele soorten klemmen
Druk een dag van tevoren de gangen en de hopen goed in, de volgende dag kan je dan zien of de mol er nog is. In droge periodes zitten de mollen dieper omdat daar dan de wormen zitten, dus eventueel nat maken van de grond lokt de mollen weer naar de oppervlakte. Zet de klem op een rustige plaats, waar dus geen mensen en dieren lopen, door trillingen wordt de mol verjaagd.
Prik met een stokje in de bodem en zoek een gang tussen twee mollenhopen in of zoek een gang die naar water toe gaat. Een mol gaat meerdere keren per dag water drinken. Als het stokje ineens wegzakt, weet je hoe de gang loopt.
Graaf deze gang voorzichtig in het vierkant open zodat de klem ruim in het gat past en controleer of de gang goed doorlopen is, de gang is dan glad. Haal de ingevallen grondresten weg en span de klem.
Zet de klem voorzichtig en stevig in de gang met de 4 poten in de bodem, zodat het lipje midden in de gang zit, de ruimte tussen het lipje en de onderkant van de gang mag niet groter zijn dan de mol.
Maak de gang weer donker door hem te bedekken met bijvoorbeeld een emmer. De mol komt aan, wipt het lipje omhoog, de klem klapt dicht en de mol is onmiddellijk dood.

Onderwerp: Mosmijten (Oribatei)

Familie: Behoren tot vele verschillende families.
Orde:     Cryptostigmata of Oribatei (subklasse der Acari).

 

Algemeen:
– Mijten behorende tot de orde der Cryptostigmata of Oribatei zijn donker van kleur en   bezitten een stevig uitwendig skelet (worden soms aangezien voor kleine kevertjes).
– Mosmijten of Oribatiden komen zeer algemeen voor in de strooisellaag van de bodem, waar ze zich voeden met algen, schimmels, verterend blad, e.d.
– Soorten, die af en toe worden aangetroffen in gebouwen zijn o.a.:
Humerobates rostrolamellatus Grandjean
Phauloppia lucorum Koch
Scheloribates laevigatus Koch
Trichoribates trimaculatus Koch.

 

Uiterlijk:
– Imago: donker van kleur; rondovaal; ca. 1-1,5 mm lengte.
Ontwikkeling: onvolledige gedaanteverwisseling
– Afhankelijk van temperatuur en vochtigheid; bv. bij Scheloribates bedraagt de ontwikkelingsduur 40 – 120 dagen bij 25 C en 100% relatieve vochtigheid.

 

Leefwijze:
– Voedsel: algen, schimmels, rottend blad, e.d.; komen soms voor op beschimmelde granen.
– Schuilplaatsen: in strooisellaag; onder de schors van bomen; in moslagen, enz.
– De volwassen mijten zijn actief op zoek naar voedsel en schuilplaatsen; sommige soorten hebben sterk de neiging om tegen verticaal staande objecten (bomen, muren
e.d.) op te klimmen. Deze neiging wordt bevorderd door bv. overvloedige regenval.

 

Schade:
– Soms tot zelden in levensmiddelen.

 

Verspreiding:
– Komen overal in ons land in de natuur voor.

 

Wering:
–  Mosmijten in gebouwen zijn vaak afkomstig vanaf een plat dak, vanuit rieten daken of vanuit nabij staande bomen.
– Maatregelen treffen ter verbetering van waterafvoer van daken en goten, zodat geen mosgroei meer optreedt.
– Schoonhouden van daken door opruiming van bladeren.
– Indien gewenst verwijderen van zwaar bemoste bomen in de zeer directe nabijheid van gebouwen.

   

Onderwerp: Motten diverse.

de graanmot (sitotroga cerealella oliv.)

de korenmot (nemapogon granella L.)

de witkopmot (endrosis sarcitrella L.)

de meellichtmot (pyralis farinalis L.)

 

Familie:

  1. Gelechiidae
  2. Tineidae
  3. Oecophoridae
  4. Pyralidae

 

Orde: Lepidoptera

 

Algemeen:

– minder voorkomende mottensoorten.
– van familie Gelechiidae komen meer dan 110 soorten in Nederland en België voor.

 

Schade:

– van de graanmot tasten de larven o.a. de korrels van tarwe en maïs aan.
– larven van de korenmot tasten o.a. graan, peulvruchten, bollen, knollen, zaden en
andere plantaardige producten, alsook in vullingen van matrassen, stoelen en in kleden.
– de rupsen van de meellichtmot zitten in allerlei plantaardige producten zoals graan, meel, zaden, stro en hooi.

Onderwerp: Motmug (Psychoda alternata) 

 

In de volksmond worden ze ook motvliegjes genoemd. Dit vliegende insect behoort tot de familie van de muggen.
Volwassen motmuggen zijn zwart, driehoekig van vorm en tussen de 3 en 5 millimeter groot.
Ze zijn te herkennen aan de behaarde vleugels. Deze vleugels, groter dan hun lichaam, zijn in rust dakpansgewijs over het lichaam gevouwen.
De lange antennen bestaan uit 13 segmenten met lange haren. Het zijn geen goede vliegers, daarom kruipen ze veel rond of maken korte springerige vluchtjes.
De eieren zijn minuscuul klein, bruin of crèmekleurig. Ze worden gelegd in hoopjes van 10 tot 200 eieren.
De larven zijn pootloos. Ze zijn grijs en aan de uiteinden iets donkerder. Ze hebben een afmeting van ongeveer 9 mm.
De motmug komt algemeen voor.

 

Kenmerken:
Levensgewoonten en levenscyclus
Het volwassen individu legt zijn eieren in vervuild, troebel water of in vochtig organisch materiaal. De larven voeden er zich met de rottende bestanddelen, bacteriën en schimmels. Deze voedingsbodems vindt men in de aflopen en overlopen van gootstenen waar regelmatig voedingsresten doorgespoeld worden. De organische bestanddelen blijven achter op plaatsen met weinig stroming: in de naden en hoeken en onder de roosters. Men vindt de larven ook terug in afvoerbuizen van sanitaire installaties, wc’s, dakgoten, mesthopen, beerputten, ed.
Ze gedijen het beste op gistende oppervlakten en bij warme temperaturen.
Een volledige levenscyclus van ei tot volwassen individu duurt 1 à 3 weken. Het volwassen individu leeft ongeveer twee weken. Zij voedt zich net zoals de larven van organische bestanddelen, bacteriën en schimmels en van nectar.
Tijdens de dag rusten de adulten in de schaduw, op muren van de douche en in de nabijheid van sanitaire buizen. ‘s Avonds worden ze actief en vinden we ze terug waar er resten terug te vinden zijn van organisch materiaal.Adulten kunnen zich meer dan een kilometer laten meevoeren door de wind. Door hun kleine afmeting kunnen zij door smalle kieren van de deur of raam.Ze richten geen enkele schade aan en kunnen niet steken. Ze zijn zelfs nuttig omdat de larven de omzetting van het organisch materiaal bevorderen, de geur wegnemen en het vuil losmaken zodat het kan wegspoelen.
Hun aanwezigheid voor vele mensen lastig en vies, zeker als ze in grote aantallen voorkomen.

 

Hinder Preventie en bestrijding.
Om motmuggen te voorkomen en te bestrijden moet men de organische stoffen verwijderen en voedingsbronnen afsluiten.Dit kan gebeuren door aflopen te reinigen en afvoerbuizen te spoelen met heet
sodawater. Containers met organisch afval moeten goed afgesloten worden. Dakgoten moeten schoongemaakt worden. Er zal een inspectie rond het gebouw moeten plaatsvinden, stilstaand water in bloempotten e.d. moeten geledigd worden.
De verluchtingspijp van de septische put kan u het best afsluiten met een gaas met een zeer kleine maaswijdte.

Onderwerp: Muggen (familie Culicaidae)

 

Gewone steekmug (Culex pipiens L.)
Geringde steekmug (Culista annulata Schrank)
Malariamug   (Anophels maculipennis Meigen)

 

Uiterlijk:
Slank, minstens 0,6 cm lang en lange poten.
Wijfjes kunnen steken.

 

Leefwijze:
Larven leven in stilstaand water.
Wijfjes leggen 100 of meer eitjes, volwassen dier leeft 1-2 maanden.
Ei tot volwassen dier; 1-2 weken.
Vliegen vooral ‘s nachts; worden tegen de schemering actief.
Voornamelijk in waterrijke streken met stilstaand water.

 

Bestrijding:
Zoveel mogelijk weringsmaatregelen treffen, evt horrengaas, ook kun je gebruik maken van muggenafweermiddelen (repellents).
Larven in water onder vloeren te doden door vloeibare paraffine op watervlak aan te brengen.

 

Culex is een geslacht van steekmuggen waarvan de soorten tussen de 6 en 8 millimeter groot worden. De meest voorkomende soort van dit geslacht is C. pipiens; deze komt voor op alle continenten met uitzondering van Antarctica. Veel soorten van het geslacht Culex zijn vectoren voor virusziekten als Afrikaanse paardenpest en riftdalkoorts.
De muggen uit dit geslacht zijn typische steekmuggen, de kop, borststuk en achterlijf zijn duidelijk te onderscheiden, de mug heeft zes sprieterige poortjes en twee vleugels waarmee hij kan vliegen. Mannetjes hebben vaak pluim-achtige antennes. De grootte hangt sterk af van de soort; van enkele millimeters tot ongeveer een centimeter.
De larven leven in het water en ontwikkelen zich snel. De eitjes worden één voor een afgezet of in kleine groepjes die als vlotjes op het water drijven.

Onderwerp: Muskusrat (Ondatra zibethica L.)  

 

Algemeen:
De muskusrat wordt ook wel eens een bisamrat genoemd. Ze komen in heel Nederland voor met uitzondering van de Wadden -eilanden. De muskusratten komen hier nog niet zo lang voor, want pas sedert het begin van de twintigste eeuw zijn ze in Europa. Ze zijn ingevoerd voor de productie van bont, maar door de tegengevallen pelskwaliteit zijn ze losgelaten. Doordat ze losgelaten zijn, zijn ze verwilderd en hebben ze zich kunnen handhaven.
De muskusrat kan een ernstige bedreiging zijn voor dijken en andere waterkeringen, spoor- en verkeerswegen. Ze graven namelijk uitgebreide ondergrondse gangenstelsels en dus ook in de buurt van de eerdergenoemde dijken en wegen.
Wanneer er een muskusrat gesignaleerd wordt moet dit gemeld worden. Het Muskusrattenbesluit heeft namelijk een meldingsplicht ingesteld.

 

Uiterlijk:
De rug van deze rat is middel- tot donkerbruin, heel soms ook grijsachtig of kastanjebruin. De buikzijde is echter lichter van kleur. Ze hebben een plompe bouw, een brede stompe kop. De oren zitten bijna in de vacht verborgen. De staart is tamelijk lang, maar echter toch korter dan het lichaam. De staart is namelijk 19 cm. tot 27,5 cm. lang. De staart is zijdelings afgeplat. Ze hebben namelijk een palingstaart. Tussen de tenen van de achtervoet zitten kleine zwemvliezen.
Een volwassen muskusrat is 28 tot 40 centimeter lang. Een pasgeboren rat is kaal en blind.
Jaarlijks krijgt een wijfje 2 tot 3 worpen. Iedere worp bestaat uit ongeveer 5 tot 6 jongen.
De vermoedelijke maximale levensduur wordt geschat op 2 tot 3 jaar. Onder normale omstandigheden zal het echter wat korter zijn.

 

Leefwijze:
De ratten leven zeer verborgen in een sterk begroeide omgeving, te denken aan riet en biezen. Bij voorkeur leven ze dan bij oevers van stilstaand water. Daar graven ze een holen- en gangensysteem in de oevers. Tegen de tijd dat de winter nadert maken ze vaak een winterhut in ondiep water. Verder zijn deze ratten uitstekende zwemmers en duikers.

 

Voedsel:
Het voedsel bestaat voornamelijk uit plantaardige producten. Te denken aan moeras- en waterplanten, wortelstokken en landbouwgewassen.

 

Schade/overlast:
Doordat de muskusrat vele graafactiviteiten heeft kunnen de oevers vernield worden. Dijken kunnen ondermijnt worden en er ontstaan watergangen.
De schade aan land- en tuinbouwgewassen is te verwaarlozen. Dit is namelijk niet grootschalig.

 

Bestrijding:
Er zijn speciale muskusrattenvangers. Zij vangen de ratten met behulp van fuiken en klemmen

Onderwerp: Oogstmijt (Neotrombicula autumnalis Shaw).                    

 

Algemeen:
In ons land komen de oogstmijten over het algemeen voor op kalkhoudende klei en in gebieden met lössgrond; tevens dient daar een strooisellaag en/of een lage vegetatie aanwezig te zijn.
Deze beestjes zijn tevens bekend uit de meeste West-Europese landen.
Deze mijten behoren ook bij de groep der huidirriterende larven. Ze kunnen dus onder andere ook jeuk veroorzaken.

 

Uiterlijk:
De imago is een rood-oranjeachtige mijt van ongeveer 0,3 mm lang.
De larve heeft een roodachtige kleur.

 

Leefwijze:
De volwassen mijten leven in of op een bodem, bij voorkeur graslanden. De eitjes worden door de vrouwelijke mijt tussen de bodemdeeltjes gedeponeerd in de maand juni.
Hieruit ontstaan de 6-potige larve, die voor zijn verdere ontwikkeling een eiwitrijke maaltijd nodig hebben. Daartoe wordt een zoogdier of een vogel uitverkoren.
Vooral in de maanden juli en augustus en tot september/oktober zijn deze larven onder zonnige en droge weersomstandigheden actief. Als ze eenmaal voedsel opnemen dan verandert de 6 potige larf in een 8 potige nimf. De leefwijze van de nimf loopt gelijk aan de levenswijze van een volwassen mijt.

 

Voedsel:
De larven eten weefselvocht of bloed van zoogdieren of vogels. Daarbij boren de monddelen zich in de huid. Daarbij wordt speeksel ingebracht. Door de inwerking van dit speeksel worden de weefsels vloeibaar en kunnen dan dus opgezogen worden.
Nimfen en imago’s eten daarentegen kleine insecten en andere mijten.

 

Schade/overlast:
Wanneer een larve dus weefsel of bloed opgezogen heeft kan er rond die plek een niet ernstige huidirritatie ontstaan. Ongeveer 6 tot 12 uur na het verblijf in een gebied met oogstmijten treedt uitslag op met een onbedwingbare jeuk. Dit vooral op plaatsen waar de kleding drukt.
Het is echter wel zo dat de huidirritatie (trombidiose) per individu sterk kan verschillen.
Deze trombidiose treedt in ons land op in de periode van half juli tot half oktober

 

Verspreiding:
Ze kunnen verspreid worden via allerlei soorten vogels, zoogdieren, zoals muizen, woelmuizen, vossen, konijnen, hazen, honden, geiten en paarden.
Om de oogstmijten op te sporen zoekt men bij voorkeur op onbehaarde delen van het lichaam, daar waar de huid dun is. Dit kan bijvoorbeeld tussen de tenen van een hond zijn. Op de mens is het diertje echter vrijwel niet aan te tonen.

 

Wering:
De hinderlijke huidirritatie kan voorkomen worden door onbedekte lichaamsdelen te behandelen met een insectenwerend middel, bij voorkeur op basis van diethyl-m-toluamide. Deze behandeling dient na 6 tot 8 uur te worden herhaald. Dit dient men te doen bij een bezoek aan een gebied waar mogelijkerwijs oogstmijten aanwezig zijn.

Onderwerp: Oorworm (Forficula auricularia L.)  

 

Algemeen:
Hoewel de naam van dit insect iets doet vermoeden, is het toch niet juist om te veronderstellen dat de oorworm inde oren van de mensen kruipt. Oorwormen zijn volkomen onschadelijk voor de mens. Naast de gewone oorworm komen is ons land nog vier soorten voor, die echter veel minder algemeen worden aangetroffen.

 

Uiterlijk:
De gewone oorworm is een 10-14mm slank insect met een horizontaal ietwat afgeplat lichaam. De kleur is glanzend bruin, de kop is donkerder en de poten zijn lichter van kleur. Karakteristiek is een tangvormig orgaan aan het achterlijf. Deze tang wordt in de eerst plaats gebruikt als verdelgingswapen. Bij de gewone oorworm speelt zij geen rol bij het vangen van insecten. Het tangvormig orgaan is bij de mannetjes langer en krachtiger dan bij de vrouwtjes. Volwassen oorwormen zijn gevleugeld, doch zij gebruiken de vleugels uiterst zelden. Oorwormen hebben monddelen waarmee ze kunnen kauwen aan plantdelen. Zachte bladeren en vruchten (bv. aardbeien) kunnen worden aangevreten.

 

Leefwijze en ontwikkeling:
De gewone oorworm is te vinden onder allerlei afval, onder stenen, in composthopen, bloempotten, molm en vergane bomen, tussen bladeren van koolplanten, onder oude planken en dikwijls in bloemen, vooral die van de dahlia. De oorworm is een nachtdier en eist een bepaalde vochtigheidsgraad, zonder welke het dier niet kan leven. Het dier voelt zich het best bij een gemiddelde temperatuur van 26- 33 graden. Zij hebben echter een groot aanpassingsvermogen, zodat ze van zeeniveau tot in het gebergte voorkomen. Forficula L. leeft hoofdzakelijk van plantaardig materiaal zoals schimmelsporen, groenalgen, korst- e.a. mossen, bloembladen, zachte bladeren en onrijpe zaden. Als aanvulling consumeren zij ook in ontbinding verkerend dierlijk materiaal en dode of gewonde weerloze insecten, maar ook levende bladluizen en kleine rupsjes.

 

Broedzorg:
Merkwaardig is dat bij oorworm broedzorg voorkomt. Voor het invallen van de winter heeft de paring plaats. In het najaar, meestal november, graaft het wijfje een holletje, waar het overwintert. De eieren worden in het voorjaar gelegd. Zodra het eilegstadium is aangebroken, ontwikkelt het wijfje een sterk broedinstinct. In 2-4 dagen legt het wijfje 20-80 eieren op een hoop aan het einde van het holletje. Als de eieren gelegd zijn, worden deze door het wijfje zorgvuldig beschermd tegen vijanden.
De eitjes worden regelmatig belikt en met haar monddelen worden de eitjes getransporteerd naar een andere plaats in het holletje als zij het verblijf van de eieren ter plaatse om een of andere reden niet geschikt vind. Langzamerhand neemt de broedzorg af. Het wijfje is dan zeer verzwakt en sterft meestal spoedig en wordt dan door haar eigen broed opgegeten. De hele ontwikkeling van ei tot volwassen dier duurt 5,5-8 maanden.

 

Wering en bestrijding:
Het komt vaak voor dat oorwormen woningen, caravans, tenten e.d. binnendringen, vooral als het buiten erg droog is. Zij zoeken dan naar plaatsen die de voor hen noodzakelijke vochtigheid hebben. Een goede wering van oorwormen bestaat uit het dichten van spleten en kieren in de buitenmuur en het afsluiten van ventilatieopeningen met een deugdelijk rooster of met fijnmazig gaas. Vooral composthopen en ander organisch materiaal in de directe omgeving van de woning dienen te worden opgeruimd. Wanneer men veel overlast ondervindt van oorwormen kan men het beste trachten deze insecten weg te vangen en elders te deponeren of ze te doden met bv. kokend water. Dit wegvangen kan bv. geschieden door ‘s avonds vochtige doeken, dweilen of dubbelgevouwen jute zakken uit te leggen. Ook kan men omgekeerde bloempotten uitzetten die losjes zijn gevuld met niet al te veel vochtige houtwol, stro of hooi. Onder de rand van de bloempot legt men een steentje of stokje om de insecten de gelegenheid te geven in de potten te kruipen. Geheel afdoende zullen deze maatregelen echter meestal niet zijn. Een behandeling van de omgeving waar deze insecten zich schuilhouden met insecticiden moet beslist worden afgeraden. De zich overdag schuilhoudende oorwormen bereikt men niet of nauwelijks, terwijl een dergelijke behandeling wel allerlei andere insecten en vogels kan doden. Dit betekent dat ook de natuurlijke vijanden van de oorwormen gedood worden en de bestrijding dus een averechtse werking heeft.

Onderwerp: Oosterse kakkerlak

 

Algemeen:
Behalve in woonhuizen kunnen deze kakkerlakken in levensmiddelenbedrijven, bakkerijen, hotels, restaurants, ziekenhuizen, wasserijen, e,d, in grote aantallen voorkomen. Ze verspreiden een onaangename geur, die ook door levensmiddelen wordt opgenomen; de geur wordt veroorzaakt door het uitscheidingsproduct van een rugklier. Oosterse kakkerlakken zijn alleseters en voeden zich ondermeer met onze levensmiddelen, doch kunnen ze ook leven van dode dieren, uitwerpselen en afvalstoffen en dragers zijn van bacteriën en mijten. Mede omdat ze in aanmerking komen met allerlei vuil, kunnen ze onder bepaalde omstandigheden ziekten overbrengen. Hun aanwezigheid in de directe omgeving van de mens is volstrekt ongewenst. In de tropen zijn het opruimers in de natuur en zij dienen daar tevens als voedsel voor grotere dieren, o.m. voor vogels.

 

Uiterlijk en leefwijze:
Een volwassen oosterse kakkerlak is 20 – 27 mm lang. De kleur is roodbruin tot zwart, de larven zijn het meest donker. Alleen het mannetje bezit goed ontwikkelde vleugels, maar kan niet vliegen. Door die vleugels is het mannetje vaak wat lichter van kleur. De oosterse kakkerlak komt niet alleen in bakkerijen voor, maar ook onder meer in restaurants, hotels, wasserijen en woningen. De voorkeur temperatuur is 20 – 29 c. Vele kakkerlakkensoorten zijn lichtschuw, ook oosterse kakkerlakken. Overdag houden zij zich schuil op donkere, warme plaatsen: achter de kachel, oven of centrale verwarming, in keukenkasten, verwarmingskelders, muurspleten nabij warmwaterleidingen, in badkamers en putjes, bij aquaria, e.d. ‘s Nachts gaan zij op zoek naar voedsel via openingen en gaten langs verwarmings- en waterleidingbuizen. Voorraden maken ze niet, doch ze foerageren elke nacht, waarbij ze zich zeer snel verplaatsen. Bij gebrek aan voedsel knagen ze aan papier (boeken) en leer.

 

Ontwikkeling:
De ontwikkeling van het insect vindt langzaam plaats. Het wijfje draagt de eieren in een eipakket (cocon), dat er ca. 16 bevat, hoogstens 5 dagen aan het achterlijf met zich mee voor ze het op en gunstig plaats afzet. Volwassen wijfjes produceren gemiddeld 8 eipakketten gedurende hun levensduur van 35 – 180 dagen. Ongeveer 2 – 3 maanden na het afwerpen van de cocon komen de vleugelloze larven uit, die via 7 -8 vervellingen een zeer lange ontwikkelingsperiode, afhankelijk van de omstandigheden, van 1 – 4 jaar doorlopen eer ze volwassen zijn. De gedaanteverwisseling is onvolledig, d.w.z. dat de larven bij de geboorte op het volwassen insect lijken en alleen in grootte door het ontbreken van vleugels daarvan verschillen. Bij de laatste vervelling komen de vleugels, bij e oosterse kakkerlak alleen bij het mannetje volledig, tot ontwikkeling. Het eipakket  is grijsbruin, 10 x 5 x 3 cm en bezit aan de bovenzijde een getande naad. Die bij het uitkomen van de larven openbreekt.
Dat de temperatuur bij de ontwikkeling een belangrijke rol speelt, blijkt uit het feit, dat enkele gradenverschil die ontwikkeling maanden kunnen versnellen of vertragen. Voor kou zijn ze gevoelig; een temperatuur van 4 c gedurende 15 uur is doorgaans fataal.

 

Wering:
De verspreiding van kakkerlakken vindt o.m. plaats door het binnenbrengen van meermalen gebruikte dozen, manden, kisten, containers, etc., met bagage en door verhuizingen en transporten. Behalve het trachten te voorkomen de insecten binnen te brengen, kan tot wering van kakkerlakken bijdragen het o,m, door zorgvuldig hygiëne beperken van voedselaanbod. Allereerst kan men daar waar de kakkerlakken hun voedsel vinden, meestal de keuken, zorgen dat ‘s nachts geen eten of etensresten te vinden zijn. M.a.w etenswaren in goed afgesloten schalen, blikken, plastic dozen of in de koelkast opbergen. Etensresten en keukenafval opruimen. Bij nieuwbouw dient de keuken zo gunstig mogelijk worden ingericht en er moet gezorgd worden voor droge koele opslagplaatsen voor levensmiddelen.

Onderwerp: Ovenvisje (Thermobia domestica P).

 

Algemeen:
Oppervlakkig gezien lijkt dit insect veel op het zilvervisje Lepisma saccharina L. Hoewel deze beide soorten tot dezelfde familie Lepismatidae behoren, stellen zij toch hele andere eisen aan hun omgeving. De bestrijding van de soorten is totaal verschillend. Het ovenvisje kan leven in een relatief droge, vrij warme omgeving; het zilvervisje geeft de voorkeur aan meer vochtige omstandigheden.

 

Uiterlijk:
Het ovenvisje is een vleugelloos insect dat 10 – 12,5 mm lang kan worden. De kleur is grijsachtig; op de rug komen zwarte en gele schubben voor. Aan het achterlijf bevinden zich drie “staartdraden”.

 

Ontwikkeling:
De eieren van het ovenvisje hebben voor de ontwikkeling een temperatuur van minimaal 25 graden nodig. Een temperatuur van 47 graden gedurende meerdere dagen is dodelijk. Een normale ontwikkeling is mogelijk bij een relatief luchtvochtigheid van 50%. De volwassen exemplaren kunnen bij 32 graden in een relatief droge omgeving 2 tot 2,5 jaar in leven blijven.

 

Leefwijze:
Het ovenvisje heeft evenals het zilvervisje zijn naam mede te danken aan de snelle kronkelende bewegingen bij het verplaatsen. Men kan het ovenvisje aantreffen op warme, vrij droge plaatsen, maar ook in centraal verwarmde badkamers, toiletten en keukens. Het voedsel bestaat voornamelijk uit koolhydraten en af en toe uit eiwitten. In keukens, maar ook op andere plaatsen in huis bv. op zolders bij de cv-ketel en in boekenkasten is voor deze insecten altijd wel iets eetbaars te vinden. Ze hebben bovendien maar erg weinig nodig.

 

Schade:
Als ovenvisjes in grote aantallen voorkomen, kunnen ze aanzienlijke schade veroorzaken aan o.a. behang, boeken, postzegels, affiches, etsen, en aan producten van synthetisch materiaal, zoals kleding, wandbedekking e.d.

 

Bestrijding:
Wanneer ovenvisjes voorkomen, kan een bestrijding worden uitgevoerd met een residueel werkend middel. Om een volledig resultaat van de bestrijding te verkrijgen is het noodzakelijk om alle ruimte van een gebouw te behandelen.
Voordat overgegaan wordt tot een bestrijdingsactie dient een onderzoek te worden ingesteld naar de omvang van de verspreiding van ovenvisjes binnen het betrokken gebouw en in de aangebouwde panden. Na deze inventarisatie kan overgegaan worden tot het opstellen van het bestrijdingsplan (volgorde van behandeling, toe te passen bestrijdingsmethode en toegelaten middelen, etc.).
De bewoners/gebruikers dienen, voordat de uitvoering van de bestrijding plaats vindt, de schuilplaatsen toegankelijk te maken, o.a. door zorg te dragen voor het ontruimen van kasten waar ovenvisjes in worden aangetroffen, de inhoud ervan kan men op een tafel in het midden van de ruimte plaatsen en zo nodig afdekken met plastic of een laken. Bovendien dient men open vuur ( N.B. waakvlammen) te doven, aquaria zorgvuldig af te dekken en de luchtpomp uit te zetten. Tijdens de uitvoering van de bestrijdingsactie en gedurende de ventilatieperiode (advies: tenminste 2 uur) dient men met eventuele huisdieren elders te verblijven.Als alle schuilplaatsen en toegangen tot die schuilplaatsen kunnen worden behandeld, kan een afdoend resultaat van de bestrijding worden verwacht.

Onderwerp: Paarse boktor (Callidium violaceum L.)

 

De bovenzijde van deze zeer platte langsprietkever (lengte: 8 tot 16 mm) is gewoonlijk glimmend blauw of paars en soms groen. In het laatste geval zou je hem aan kunnen zien voor de verwante soort Calldium aeneum. Het achterste gedeelte van moet dan de doorslag geven: bij de Callidium aeneum is dat geribd.
De Callidium violaceum leeft in naaldbossen in het laagland, de heuvels en de vergen, tot de boomgrens, die in elk massief weer op een andere hoogte ligt. De imago’s kun je in de lente en de zomer op stammen, takken en houtstapels zien zitten; op bloemen komen ze niet af. Soms treft men ze op de zolder van een boerderij aan, want in de kapbalken kunnen zich verscheidene generaties ontwikkelen. Op plaatsen waar hout opgeslagen licht, duiken ze ook op.
De 1,6 mm lange eieren worden in het hout van dode naaldbomen (sparren gewoonlijk) gelegd, maar de larven komen ook wel tot ontwikkeling in het hout van loofbomen als de haagbeuk, de beuk, de eik en de wilg. De larven van deze soort leven in dood naaldhout waar zich de schors nog omheen bevindt. Ze leven onder de schors en graven gangen in de buitenste houtlaag; trek je een stuk schors los, dan kun je aan de binnenkant daarvan de ‘mijnen’ zien lopen. Het is niet te verwachten, dat in ontschorst hout een uitbreiding van de aantasting kan plaatshebben, aangezien de uit het hout komende kevers uitsluitend eieren afzetten op hout waar zich de schors nog omheen bevindt. Voordat ze gaan verpoppen dringen de larven dieper het hout in. Hun ontwikkeling duurt minstens twee jaar.
Vroeger werd de Callidium violaceum als een schadelijk insect beschouwd, maar tegenwoordig speelt hij geen belangrijke rol meer. Hij komt voor in een groot deel van het palearctische en nearctische gebied.
Wanneer in een gebouw hout is verwerkt met schors, is de beste bestrijding het ontschorsen van het hout. Ook kunnen deze boktorren komen uit opgeslagen hout dan gebruikt wordt voor de open haard. Dit hout kan men beter buiten opslaan.

Onderwerp: Papiervisje (Ctenolepisma longicaudatum Escherich)

 

Orde: franjestaarten (Thysanura)
Familie: Lepismatidae

 

Zo op het eerste oog lijkt dit insect op het zilvervisje ( Lepisma saccharina L.). Hoewel beide soorten tot dezelfde familie horen, stellen zij compleet andere eisen aan hun leefomgeving. De bestrijding is derhalve ook totaal verschillend. Hun naam danken deze insecten mede aan hun snelle, kronkelende bewegingen bij het verplaatsen.
Het papiervisje is slechts met microscopische technieken te onderscheiden van het zilvervisje. De leefwijze van deze beide soorten verschilt overigens slechts minimaal.

 

Uiterlijk en ontwikkeling:
Het papiervisje is een vleugelloos insect dat 10 tot 15 mm lang kan worden. De kleur is grijsachtig tot donker; op de rug komen grijze schubben voor. Aan het achterlijf bevinden zich 3 staartdraden.
Voor hun ontwikkeling hebben de eieren van het papiervisje een temperatuur van minimaal 20 °C nodig. De vrouwelijke papiervisjes leggen + 100 eitjes gedurende hun leven. De eitjes komen uit in 3 – 6 weken.
Ze ontwikkelen zich het snelst bij 24°C. Onder 16°C nemen ze geen voedsel op en vervellen ze niet meer. De ontwikkeling van ei tot volwassen papiervisje duurt ca. 14 maanden bijeen temperatuur van 24°C. Een relatieve luchtvochtigheid van 50% is nodig voor een normale ontwikkeling. Volwassen papiervisjes kunnen, bij 24°C en in een relatief droge omgeving, 7 tot 8 jaar in leven blijven.

 

Leefwijze:
Papiervisje zijn ‘s nachts vaak actief en zitten overdag op verborgen plaatsen. Ze worden in de regel aangetroffen op warme, vrije droge plaatsen, maar ook in centraal verwarmde badkamers, toiletten en keukens. Op andere plaatsen in huis, bijv. op zolder ( bij de cv-ketel) en in boekenkasten, is voor papiervisjes altijd wel iets eetbaars te vinden. Zij hebben maar weinig nodig: hun voedsel bestaat voornamelijk uit koolhydraten en (af en toe) uit eiwitten. Zij vinden dat o.a. in de lijm van behang, etsen en boeken. Schade aan papier is veel erger dan die door zilver- of ovenvisje. Papiervisjes zijn uitstekend toegerust voor het leven in onze moderne woningen; hun optimale omgevingstemperatuur komt overeen met die van de mens. De sterkste papiervisjes kunnen 300 dagen zonder voedsel.

 

Schade:
Papiervisjes die in grote getallen voorkomen, kunnen aanzienlijke schade veroorzaken aan o.a. behang, boeken, postzegels, affiches en etsen. Ook producten van synthetisch materiaal, zoals kleding en wandbedekking, kunnen worden aangevreten door papiervisjes.

 

Bestrijding:

stap 1: inventarisatie
Eerst moet de omvang van de verspreiding van de papiervisjes in gebouwen onderzocht worden. Pas daarna kan er een bestrijdingsactie plaatsvinden. Zo’n onderzoek vindt plaats
Zowel binnen het betreffende gebouw als in de aangebouwde panden. In flatgebouwen vindt de verspreiding in eerste instantie plaats in verticale richting o.a. via de leidingkokers en de spouw.

 

stap 2: plan van aanpak
Vervolgens wordt een bestrijdingsplan opgesteld. Daarin staan o.a de volgorde van behandeling, de toe te passen bestrijdingsmethode, de benodigde apparaten, de menskracht en de toegelaten middelen.

 

stap 3: voorbereidingen treffen
De schuilplaatsen van de papiervisjes moeten goed bereikbaar zijn tijdens de bestrijding.
Indien nodig, moet de huiseigenaar hiertoe maatregelen treffen. Denk aan leidingkokers, ruimten achter aanrechtkastjes, kruipruimten, plafond, enz.
Bewoners/gebruikers van het pand hebben ook een taak in het bereikbaar maken van schuilplaatsen. Denk aan het ontruimen van kasten of aan het opruimen van kinderspeelgoed. De spullen mogen tijdelijk op een tafel in het midden van de ruimte worden gezet en moeten worden afgedekt met plastic of moeten daarin verpakt worden.
Open vuur ( denk ook aan waakvlammen!) moet worden gedoofd, aquaria moeten worden afgedekt en de luchtpomp moet worden uitgezet. Bewoners en hun huisdieren mogen tijdens de bestrijdingsactie en de ventilatieperiode daarna (minimaal 2 uur) niet binnen blijven.

 

stap 4: bestrijding
De bestrijding van papiervisje behoort door deskundigen te worden uitgevoerd. In de meeste gevallen bestaat de bestrijding uit een plaatselijke behandeling van alle mogelijke schuilplaatsen, kieren, naden en de directe omgeving ervan.
De spuitvloeistof heeft een zeer geringe acute giftigheid. Ongeveer 1 tot 2 uur na de toepassing is de afdamping van het middel vrijwel nihil. De residuele werking die voor de bestrijding van de papiervisjes nodig is, is zeer goed (6-8 weken).
De bestrijding dient plaats te vinden met inachtneming van de voorzorgsmaatregelen en de wettelijke gebruiksvoorschriften die op het etiket van het bestrijdingsmiddel vermeld staan. Na de ventilatieperiode moeten werkvlakken (aanrecht e.d.) goed gereinigd worden.

 

N.B.: Voor een succesvolle bestrijding is het noodzakelijk dat deze in het hele verspreidingsgebied van het papiervisje plaatsvindt, dus binnen de complete aaneengesloten bebouwing. Dit vereist de medewerking van alle bewoners.

 

stap 5: nazorg
Als ca. 6-8 weken na de eerste behandeling verstreken zijn, zal door een deskundige een controle worden uitgevoerd. Dan wordt vastgesteld of nabehandeling nodig is.
Blijf echter alert op papiervisjes en, mocht u ze signaleren, meld dit dan aan de eigenaar van de woning.

Onderwerp: Pelskever (Attagenus pellio L.)

 

Uiterlijk
-Kleur donkerbruin tot zwart en heeft op beide dekschilden een witte vlek.
-Lengte 0,5 cm lang
-De larven zijn 1 cm lang zijn lichtbruin van kleur met lichte dwarsbanden.
-Opmerkelijk is dat aan het einde van het larve lichaam zich een lange pluim van dunne
haren bevindt.

 

Ontwikkeling
-De eitjes worden afgezet in vogelnesten, muizenholen, wollen kleding maar ook in wespen -en bijennesten, vrijwel overal waar dode dieren of insecten aanwezig zijn.
-Zowel de kevers als de larven overwinteren.
-De ontwikkeling kan bij gunstige omstandigheden zorgen voor 1 generatie per jaar.

 

Leefwijze
-De larven leven van veren, haren en dode insecten.
-De pelskever zelf leeft voornamelijk van nectar en pollen.

 

Schade
-De larven kunnen veel schade toebrengen aan materialen waarin dierlijke producten verwerkt zijn, zoals bont, kleden, textiel, isolatiemateriaal en opgezette dieren.

 

Wering en Preventie
-Voorkom vogelnesten onder daken
-Vogelnesten, bijen- en wespennesten opruimen